Ooit heeft iemand mij eens de kroniek van pastoor Van de Coterlet in de hand gedrukt, over zijn tijd in Kamerik. Vanaf 1964 is hij hier maar liefst 28 jaar pastoor geweest en in gesprekken met medeparochianen wordt zijn naam nog dikwijls genoemd. In alle eerlijkheid lag het document te verstoffen, maar tijdens opruimwerkzaamheden won mijn nieuwsgierigheid het van de neiging om het bij het oud papier te gooien. En dus ben ik er eens rustig doorheen gaan bladeren, want wat weet ik als iemand van buitenaf eigenlijk van Kamerik en de Kanis? Wat valt er te leren van dit stukje geschiedenis?
Het document bevat beschrijvingen en publicaties uit het parochieblad, waar men toen nog abonnementsgeld voor betaalde, te weten twee gulden en zeventig cent per half jaar. Het start in een periode waarin de liturgische veranderingen na het Tweede Vaticaanse Concilie (1962 – 1965) worden doorgevoerd. “Aan de Hollandse taal in een muziekmis moeten wij ouderen nog wennen geloof ik” tekent M. Baars in 1966 op. Ook de pastoor heeft er oog voor. “Nu komt de verandering niet geleidelijk maar als een revolutie, als een volkomen breuk met het oude, als een afbraak van het vroegere. En we voelen ons verdrietig. […] het was een heerlijk stuk rijk rooms leven. Ja, u hebt gelijk: we zullen veel moois moeten missen. […] Maar het moet gebeuren. Er is geen ontkomen aan. De kerk zal – ook in de liturgie – eigentijds moeten worden.” Het is een zichtbare worsteling, waarbij de pastoor zich in 1969 nog met een knipoog verdedigt dat hij toch echt geen “beeldenstormer” is, wanneer de aanpassingen op het priesterkoor worden aangekondigd, waarbij onder meer de communiebank en altaar verwijderd worden.
De dagelijkse beslommeringen vinden zich via de pen een weg naar het parochieblad. Met het afstappen van het Latijn is het kennelijk even wennen om in het Nederlands de mis op te luisteren. W. Neuteboom doet in hetzelfde jaar een vriendelijk doch dringend appel op de leden van het grote koor (toen nog mannen, vrouwen én kinderen) om iets minder vurig en hard te zingen. “Wanneer ons totale koor de moed op zou kunnen brengen minder geluid voort te brengen, zou de gevoeligheid erbij winnen. De ontroering van de toehoorders, de aandacht zal daardoor groter worden. Men schreeuwt ook niet ‘ik houd van je’, maar fluistert.” Een bijna poëtische passage. Een tekort aan mannelijke koorleden lijkt er overigens altijd te zijn geweest. Aan de lopende band worden er daarnaast giften gedaan, voor bijvoorbeeld de centrale verwarming of vernieuwing van het kerkdak. Boekhoudkundige overzichten en financiële tussenstanden vullen het parochieblad in al hun transparantie. Het meest ontroerend zijn de kleine bedankjes van de pastoor aan vaak anonieme gevers. Zelfs een donatie van vijf gulden mag op een publiekelijk bedankje rekenen.
Sowieso is de aandacht die dikwijls wordt gegeven aan persoonlijke inspanningen opvallend. Wanneer misdienaars of acolieten komen en gaan wordt hier uitgebreid bij stil gestaan en mag er ruimte zijn voor een persoonlijke noot. Bijvoorbeeld hoe in 1968 Antoon Janmaat afscheid neemt als “een werker van het eerste uur” en hoe hij samen met Theo de Bruyn er altijd stond. “Als zij konden waren ze er. Konden zij niet, dan zorgden zij voor een ander. Liep ergens iets fout, en was er plotseling assistentie nodig, even bellen naar Antoon of Theo, en het kwam voor mekaar”, aldus de pastoor. Vanuit het gezegde – dat ik niet meer kende – ‘de paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet’ is er veel aandacht voor kleine vormen van dienstbaarheid.
Sommige passages lezen als een film. De boodschappen aan de jeugd van weleer hadden niet misstaan in een seizoen van Goede Tijden Slechte Tijden. Het zijn niet zelden smeekbedes. “Voor iedereen, lees dit alsjeblieft allemaal! Weer doe ik een beroep op u. Ik hoop dat u mij niet in de kou laat staan. De laatste tijd wordt er in de kerk tijdens de H. Eucharistieviering weer vreselijk lawaai geschopt. Laatst was het tot op het priesterkoor hoorbaar. Velen ergerden zich eraan. Maar het komt ook voor dat ‘grote mensen’ zelf er schuld aan hebben, door ongezonde belangstelling of zelfs door mee te lachen. Wat moet je er in godsnaam tegen doen. Het is hopeloos. Ik weet het niet meer. […] Het is voor een groot gedeelte een kwestie van opvoeding. […]” Arme meneer pastoor. Maar daar blijft het niet bij. Vooral in de achterste banken van het middenschip en de linker-zijbeuk wordt rotzooi geschopt. Jongens die tijdens de mis niks anders doen dan ‘propje schieten’ of het krassen in of tekenen op de kerkbanken. De rotzooi die achterblijft na de mis, van verscheurde misboekjes tot sigarettenpeuken. Over het zichtbaar kauwen op een stuk kauwgom wordt met afschuw gesproken. Het dieptepunt vertelt over een stuk of vier tot vijf jongeren die de kerstnachtmis van 1985 “op een grondige manier verziekt hebben”. In hoofdletters spreekt te pastoor zich uit – TRIEST! – en wil feitelijk publiekelijke excuses. Alles in wederom die verdraaide linker-zijbeuk. Alsof de harde kern van een grote voetbalvereniging daar zijn plek had. Ik lees het met verbazing, een volle kerk die kennelijk niet in staat is een paar knapen van zestien jaar aan te spreken, maar ook de constatering dat vernieling en rotzooi schoppen van alle tijden is. Misschien toen nog wel erger dan je nu voor mogelijk houdt.
Maar ook hier is er een andere kant als in (wederom) 1985 de jongeren van sociëteit De Bijn deze op vrijdagavond sluiten, zodat ze bij de veiling en de familieavond kunnen zijn. De veiling die gehouden werd bij de firma Roest brengt maar liefst dertigduizend gulden op voor restauratie van de gewelven. En dat tekent de kracht van de gemeenschap, waarover je veel terugleest. Hoe alles elke keer geregeld wordt, linksom of rechtsom. En ook hoe lokale gemeenschappen hun eigenheid kunnen hebben. “Nergens hoor je de mensen zo meebidden en meezingen als hier” wordt in 1975 opgetekend. En dat is ondanks het teruglopende kerkbezoek vandaag de dag nog steeds herkenbaar.
Bas Oude Ophuis
Bronnen:
- Kroniek Parochie St. Hippolytus te Kamerik 1965 – 1992, opgesteld door familie Van Bemmelen.