Thérèse van Lisieux

5 oktober 2026

Een tijd terug werd ik gegrepen door een tekst over het leven van Thérèse van Lisieux. Een jonge vrouw, niet ouder geworden dan 24 jaar, die in 1925 onder grote belangstelling – gedurende een zes uur durende ceremonie – heilig werd verklaard. (1) Een heilig beeld van haar staat ook in onze H. Hippolytuskerk en misschien ook wel in andere kerken van onze parochiegemeenschap. Deze zomer besloot ik me te verdiepen in haar levensverhaal.

Thérèse wordt in 1873 geboren in het plaatsje Alençon te Frankrijk. Ze is het jongste kind uit een groot gezin met negen kinderen, waarvan er vier op zeer jonge leeftijd overlijden. Het gezin is devoot katholiek en Thérèse weet naar eigen zeggen op haar tweede al dat ze religieuze wil worden. Bij sacramentsprocessies probeert ze haar rozenblaadjes zo hoog als ze kan de lucht in te gooien, waarbij ze zich gelukzalig voelt als juist haar rozenblaadjes de heilige monstrans raken. Het valt haar moeder al vroeg op dat Thérèse een bijzonder meisje is. Zo vraagt haar oudere zus zich op enig moment af hoe God toch in zo’n kleine hostie kan zijn. Thérèse antwoordt haar: “Dat is niet zo verwonderlijk. De goede God is immers almachtig. Wat betekent almachtig? Dat Hij alles kan doen wat Hij wil!” Kom daar als kind maar eens op. Haar levenslust en onbezorgdheid veranderen als haar moeder overlijdt. Thérèse is dan nog maar vier jaar en levendigheid en onbezorgdheid maken plaats voor verlegenheid en overgevoeligheid. Toch blikt Thérèse dankbaar terug op haar opvoeding, waarbij ze opgevoed wordt door haar liefdevolle vader en haar zussen, waarvan enkelen moederfiguren voor haar worden. Haar religieuze roeping blijft niettemin onveranderd sterk. Als ze op haar elfde haar eerste heilige communie ontvangt beschrijft ze dit als een diepreligieuze ervaring: “Hoe teder was de eerste kus die Jezus aan mijn ziel gaf! Het was een liefdeskus; ik voelde me bemind.” Op haar veertiende gaat ze op bedevaart naar Rome om aan de paus toestemming te vragen om in te treden in het Karmelietessenklooster, waar men haar eigenlijk nog veel te jong voor vindt. Tijdens de audiëntie doorbreekt ze het protocol van stilte en smeekt ze de paus in tranen om goedkeuring. Deze zal geen expliciete toestemming geven – verwijst naar Gods wil – maar toch maakt Thérèse met haar optreden indruk en op haar vijftiende krijgt ze alsnog toestemming van de bisschop.

Thérèse ontwikkelt zich verder. Haar liefde voor de natuur speelt daarbij een belangrijke rol en al op jonge leeftijd onderwijst ze in prachtige metaforen: “Ik begreep dat alle bloemen die Hij geschapen heeft mooi zijn. De pracht van een roos en het smetteloze van een lelie nemen het kleine viooltje niet zijn geur af of het madeliefje zijn schitterende eenvoud. Ik begreep dat als alle kleine bloempjes rozen wilden zijn, de natuur dan haar lentetooi zou verliezen. De velden zouden niet meer versierd zijn met bloempjes. En zo is het ook in de wereld van de zielen, de tuin van Jezus. Hij heeft grote heiligen willen scheppen die vergeleken kunnen worden met de lelie en de rozen, maar hij heeft ook kleine heiligen gewild. En deze moeten er tevreden over zijn madeliefjes of viooltjes te zijn, die God blij maken als Hij zijn blik naar beneden richt. De volmaaktheid bestaat erin Gods wil te doen, diegene te zijn die Hij wil dat we zijn.”

Zo begint ze langzaam in te zien dat ze zelf niet heilig kan worden, maar dat alleen God een mens tot heiligheid kan brengen. Thérèse moet vaststellen dat ze “zwak is, heel zwak” en “niet altijd trouw”. “Het is onmogelijk groter te worden; ik moet mezelf accepteren zoals ik ben met al mijn onvolmaaktheden, maar ik wil een manier zoeken om naar de hemel te kunnen gaan via een mooi recht kort weggetje, een hele nieuwe kleine weg.” Deze befaamde kleine weg zou haar belangrijkste erfenis worden.

Vanaf haar twintiger jaren is ze door de ervaring van haar kleinheid gerijpt en streeft ze geen enkel succes meer na. Ze ijvert nu “in overgave, het is Jezus die alles in mij doet en ik doe niets”. Vooral ontvangen en liefhebben. De kleine dingen met bezieling en toewijding doen, ze met liefde groot maken. Ondanks dat Thérèse vanaf 1896 de eerste symptomen van tuberculose heeft blijft ze schrijven aan haar levensverhaal. Meer en meer ontpopt ze zich als kerklerares. Ze schrijft over naastenliefde. Hoe je gebreken van anderen verdraagt, je niet verbaast over andermans zwakheden, tegen de menselijke natuur in je vijanden beminnen en bidden voor hen die je vervolgen. In de communiteit is een zuster die Thérèse erg tegenstaat. Ze moet enorm hard haar best doen om dit niet te laten blijken, maar glimlacht steevast allervriendelijkst, waardoor deze zuster zich zelfs afvraagt wat Thérèse in haar aantrekt. “Wat me in haar aantrok was Jezus, die diep in haar ziel verborgen was. Jezus die het aller bitterste nog zoet maakt.” Thérèse ziet de LIEFDE (in hoofdletters) als haar ultieme roeping. In die periode gaat ze Jezus ook tutoyeren en verheerlijkt ze zijn barmhartige liefde in een parabel van het vogeltje (Thérèse) en de adelaar (Jezus). “Het vogeltje maakt in het dagelijks leven vaak misstappen (zo laat het zich vaak afleiden door hier en daar een zaadkorreltje te pikken, rent het achter een wormpje aan, en als het een waterplasje tegenkomt maakt het zijn jonge veren nat; het houdt zich met onbelangrijke aardse dingen bezig omdat het niet hoog in de lucht is), maar ondanks al die misstappen gaat het niet ergens in een hoekje zitten huilen om te sterven van berouw. Het keert zich naar de welbeminde Zon, het strekt zijn natte vleugeltjes uit in die weldadige zonnestralen […] O Jezus, hoe gelukkig is jouw vogeltje dat klein en zwak is. Wat zou er van hem worden als het groot was? Het zou nooit de moed bezitten in je aanwezigheid te verschijnen en in je bijzijn wat te soezen.” En zo smeekt Thérèse ook voor de andere grote groep kleine zielen – voor u, jou en mij – “om een legioen van kleine slachtoffers uit te kiezen die jouw LIEFDE waardig zijn.” “Laten we dus heel ver wegblijven van alles wat blinkt. Laten we onze kleinheid liefhebben, laten we ervan houden niet te voelen. Dan zullen we arm van geest zijn en Jezus zal ons komen zoeken, hoe ver we ook zijn. Hij zal ons omvormen tot vlammen van liefde.”

Amen.

Bronnen:

Andere berichten